Wat is het zoet, uit ’t koele lommer Te zien, hoe ’t licht het dal bedekt, Terwijl het ronken van een brommer Naar welbehaaglijk slapen trekt. Ik zie de rogge geluw waaien, En zilvrig wuift het haverveld. Het koeltje komt
Tag: gedicht aanwezig
Hangende lantaarn
Al knarsend langs den muur te zwaaien In rustloos heen en weder gaan, Daar wind mijn roestgen stang doet draaien, Is mijn armzalige bestaan Nu rechts, dan links, nu hier, dan daar, en Met vlokken walmend spreidt mijn licht Meer
De waakhond
Na de avondmaaltijd, in de hoeven, Wenscht ’t volk goenacht, en op den deel Stapt het met zware trage kloeven Bij ’t snuivend vee langs naar zijn peel. De grendel schoof; de stroeve pinnen Zijn door de bout op ’t
Vergeten kaars
Ik licht en kwijn, en duister Wordt mijn geduldig hart. Om u is alles luister, Om mij is alles zwart. Uw daden en gesprekken Heb ik met vreugd belicht, Ik deed den lach ontdekken In uw ontgloeid gezicht. Ik heb
Het ijzer
In een tang werd ik gehecht, In een knettrend vuur gelegd. Om mij naar Zijn wil te vormen Laat Hij mij van vlam omstormen. Hoe de tochtge blaasbalg raast En de gloed al heeter blaast, Die mij slaat met blauwe
De zandbult
Semper idem. Blank van flanken, altijd even Zuiver-wit en stralend-naakt, Zijt gij streng en stil gebleven, ’t Zij de hemel bleekt of blaakt. Blinkt de zon, gij staat te pralen En kaatst heel haar glans weerom. Ongenaakbaar door uw stralen
Het vogelnest
Van Uwe ruimte een luttel deel, Omvlochten met gevonden hooi, En sierlijk in zijn simple tooi, Werd tot een nest van vormen eêl. Een grauw fluweelige cocon, Nog vol van zomers honinggeur, Een toevlucht met een open deur, Hing het
De meeuw
Vrijbuiter, die op ’t wad gewiegd Tot wild genot uw heil ontvliegti. Hoog opgespat verblindend schuimt Sneeuwvlok, wegdwarlend in het ruimt O hartontroerend angstgeschreeuwI Kringelend klagen witte meeuw! Gij laat uw grillig spitse vlucht Onrustig blinken voor de lucht, En
De pauw
In glans van iriseerend blauw Dook uit het lentegroen de pauw. Toen hij mijn dwingende aandacht zag, Heesch hij zijn staart gelijk een vlag, En voor mijn oogen brandde en blonk Aards heerlijkheid en hemels pronk, Ros, zwart, blauw, goud,
De nachtegaal
Ik wist niet dat de nachtegaal Zijn leven door in zuivren haal De nachten reit aan nachten Door vreugdes teedre klachten Ben ik tot heden doof geweest Of bleef het jaarlang winter? Nu hoor ik hier en ginder Zijn jubelend