De zandbult

Semper idem. Blank van flanken, altijd even Zuiver-wit en stralend-naakt, Zijt gij streng en stil gebleven, ’t Zij de hemel bleekt of blaakt. Blinkt de zon, gij staat te pralen En kaatst heel haar glans weerom. Ongenaakbaar door uw stralen

De meeuw

Vrijbuiter, die op ’t wad gewiegd Tot wild genot uw heil ontvliegti. Hoog opgespat verblindend schuimt Sneeuwvlok, wegdwarlend in het ruimt O hartontroerend angstgeschreeuwI Kringelend klagen witte meeuw! Gij laat uw grillig spitse vlucht Onrustig blinken voor de lucht, En

De pauw

In glans van iriseerend blauw Dook uit het lentegroen de pauw. Toen hij mijn dwingende aandacht zag, Heesch hij zijn staart gelijk een vlag, En voor mijn oogen brandde en blonk Aards heerlijkheid en hemels pronk, Ros, zwart, blauw, goud,