Ik heb Hem aangeschouwd Verborgen onder koele rozen. Men heesch Hem aan een hout, Met bloed bespat als een leproze. Mijn hart was schier versteend. Wie heeft Zijn lichaam zóó geschonden En tot een krans vereend, De doornen om Zijn
Tag: gedicht aanwezig
De leeuwerik
O hart, dat van verrukken zwelt En zwingt den hemel in En juublend voor den troon vertelt: ‘Ik steeg, wijl ik bemin!’ Mij wederhield geen werelds macht. Daar mij Gods glimlach toog, Dwong mijn geheven bloed met kracht Ademloos mij
Ik zal Hem zien, maar nu niet
Gij gingt de velden langs, Gij hebt den hof doorschreden. Het koren deinde zwaar en kreeg een dieper glans. Het ooft zwelt stralender; word ik alleen gemeden? Nu Ge alles heerlijk maakt, Krijg ik alleen geen kans? Ik hoorde U
Besneeuwde treurwilg
Mijn armoe deed U pijn, En mijn verkleumde leden Wilde Uwe deernis kleedgin In donzig hermelijn. O God, wat valt dit zwaar, Om zonder te versagen Uw heerlijkheid te dragen, En blijven stil en klaar. Geluk nijpt meer dan nood.
Tulpen
Ze zijn veel trotscher dan de rozen En zeer gelukkig en alleen. Stil heeft eenelk zijn deel gekozen Van ’t leven; en ’t is elk gemeen. Zij smeeken: Heer, ik sta te branden ! Alleen voor U ben ik gesmukt
De stamroos
Dank, God, dat eindelijk ontbloeit Al wat mijn lot besluit. Lang ingekort en opgesnoeid, Schiet ik sterk tot U uit. Als een fontein zijn waaier spuit, Botte om mij loot en rank. Maar weggetikt werd elke spruit. Mijn stam bleef
Rozebottels
Moest gij u daarom zoo vermoeien Met roekeloos en snel te bloeien, Dat der ellenden zware tooi En aller vreugden licht allooi Werd afgeschud en weg zou wijken Voor het beschaamd verheven prijken Van Uw geduldig zwellend hart? De purpren
De beukenheg
Stug in den grond gestooten, Met wortels ruig als pooten En zwaren klauw, Dicht op elkaar gedrongen En wild ineengewrongen : Wij zijn het grauw ! De menigten, die ’t leven Elkander overgeven Schier onbewust; Die gul hun nooddruft deden,
De heidestruik
Dat ik zou kùnnen dulden, schiept Gij mij taai en sterk, God, die mijn jeugd vervulde Dat ik zou kùnnen dulden, met moeite en slavenwerk. Ik werd geroofd, geschonden, mishandeld vaak en veel. Gekoppeld en gebonden wrocht ik in stal
De rogge
De rogge schoot in de aar, En heel het veld ging wuiven. Nog enkle dagen maar En alles stond te stuiven. Een zoete witte wolk Rees, en is neergestreken. Het harig arenvolk Kwam ros er uitgekeken. En stille staat ’t