Tulpen

Ze zijn veel trotscher dan de rozen En zeer gelukkig en alleen. Stil heeft eenelk zijn deel gekozen Van ’t leven; en ’t is elk gemeen. Zij smeeken: Heer, ik sta te branden ! Alleen voor U ben ik gesmukt

Rozebottels

Moest gij u daarom zoo vermoeien Met roekeloos en snel te bloeien, Dat der ellenden zware tooi En aller vreugden licht allooi Werd afgeschud en weg zou wijken Voor het beschaamd verheven prijken Van Uw geduldig zwellend hart? De purpren

De rogge

De rogge schoot in de aar, En heel het veld ging wuiven. Nog enkle dagen maar En alles stond te stuiven. Een zoete witte wolk Rees, en is neergestreken. Het harig arenvolk Kwam ros er uitgekeken. En stille staat ’t