Clamans voce magna. Gij roept, maar wie durft U te roepen, O Majesteit aan ’t barre kruis? Ik sta te midden van de troepen En het hartstochtelijk gespuis: De Farizeeërs met de woorden Van God en Mozes in den mond,
Tag: gedicht aanwezig
Emmaus
Hun stemmen waren bits geweest Tegen den vreemden vreemdeling. Nu schreden zij met stiller geest Nevens hem door de schemering. Zij zaten in de schemering. En het gezegend avondbrood Ontviel de hand die het ontving. En Hij ontvlood, Want zij
Hemelvaart
Licht huift om hen de blauwe kolk Des hemels, dien de Heer doortrekt. Toen heeft Hij troostend met een wolk Hun heimwee overdekt. En vlak nabij ontsprong een stem: (Gods bode is een fontein van licht) – Verkondig in Jeruzalem
Pinksteren
O Geest, toen Gij ternederkwaamt En voor hun oog gestalte naamt, Doorzonk de hemel ademloos Een stille witte vlammenhoos. Boven hun lichaams donkre zuil Verscheen een zacht bewogen tuil Van licht, en glinsterende gleed Het neder langs hun schamel kleed.
Slapen gaan
De witte sterren breken Door duisternis en wind. Ergens begint een kind Zijn nachtgebed te smeeken, Zijn oogen dicht, en blind Gedekt door warme handen. En klaar en kalm begint In hem een licht te branden. Hij draagt waar geen
Zult gij…
Zult Gij niet, nu de duisternis begint Als moeder met een kaars zijn bij een kind? Haar schaduw valt stil langs ’t gelaat der knapen, Die stug en wrevelig zijn ingeslapen. Zij heeft der handen onrust zacht beschermd, Zich over
De zieke ’s avonds
De boomen druipen nog Zwaar in den avend, De rozen ruiken nog, Hoe zeer gehavend. De bui heeft uitgebuid, De rust keert weer. De dag is uitgeluid, Nu komt de Heer. ’t Werk werd niet afgedaan, Maar afgebroken. Weinig heb
Avondregen
Er was een zacht gedruppel in de blaren Of nu de zomerregen zou beginnen. En traag gleden de schemeringen binnen Van buien, die ons dreigend overvaren. De geur van vocht en bloemen vloeide samen En dreef de paden rond als
Na de bui
De bui was nog niet afgedreven, Toen wij bedroefd den tuin in gingen. Waar afgerukt de rozen dreven En hulploos in de struiken hingen. Haar zon doorlonkte bengelingen Woei de verzwikte goudenregen Ons als een wolk van vonken tegen En
Najaar
Hoe zijt Gij tot mij gekomen Zoo gelukkig en zoo laat, Nu de zon de kale boonren Weerloos met zijn gloed doorslaat, En de landen overstroomen En hun leegte vullen gaat? Alle schaduw moest verdwijnen Voor Ik vol naar binnen