’t Is niet te zeggen, Heer, hoe zoet Gij voor de ziele zijt, Ze is als een roos die bloeien moet In haar eenvoudigheid. Het is een zwellen zwaar en lang, Een heil dat zalig maakt en bang, Gedragen onbezweken.
Tag: gedicht aanwezig
De Lichtstreep – I De rouwtoorts
delen I, II en III I – De rouwtoorts II – De gedroomde zoon III – De zachte fluit
Stille genegenheden tusschen ons
Stille genegenheden tusschen ons, Ze zijn in weinig woorden uitgeschreven. Uw tengre polsen hebben hun gebons Voor eeuwig in mijn handen ingedreven. Kan men het schrijnen van de pijn vergeten, Zoolang de nagel in de wonde blijft? Waar is een
Het is de bloeimaand, ’t geurende getij
Het is de bloeimaand, ’t geurende getij. De weiden pronken; in de hemellanen Krioelt ’t van feestelijke karavanen: Wolken en sterren ijlen ons voorbij. ’t Haast alles in een blinde razernij Te minnen, voor de bonte smuk gaat tanen. Elk
O dit herdenken, dit rampzalig zijn !
O dit herdenken, dit rampzalig zijn! Ik ben zoo moede van de geur der rozen. En langs de muren geuren abrikozen, Als wangen blozend in de zonneschijn. Ik ben zoo moede; door de stille woon Komt met den wind een
Gebroken, gebroken is uw schoone
Gebroken, gebroken is uw schoone Lichaam, en weenend neergeleid. O dood, wat is er veel geschreid Om deze prille anemone. Uw blond hoofd met de bleeke konen Op bleeker kussen ligt ’t gevlijd. Tengere handen, voor altijd Moet gij de
Nu moet ik weenen in duisternissen
Nu moet ik weenen in duisternissen. ’t Is nacht geworden en het blijft nacht. Missen schakelt aan lànger missen. Wacht is door wachten geschalmd aan wacht. Zij troosten: na deze troostelooze Tijden zullen geen tranen meer zijn. O, onder bloeiende
Sledevaart
Herinnering aan vrijdagmorgen 28 december 1923 Dit is het laatst geluk geweest, Dat u en mij op aard’verbindt: Een sledevaart door sneeuw en wind, En dit geluk gedenk ik ’t meest. Er was geen leven en geen tijd. Onder een
Sonnetten – IV Weet gij wat weenen is en eenzaam-zijn
Weet gij wat weenen is en eenzaam-zijn En voor het suizen van de stilte vreezen En zelf een vreemde donkre stilte wezen, Die niet bewegen durft onder den schijn Van ’t roerloos licht, en voelen hoe de pijn Komt onmeedoogend
Lees meer Sonnetten – IV Weet gij wat weenen is en eenzaam-zijn
Gesprekken in den schemer I-III
I Uw handen zijn in ’t licht zoo schoon ontbloeid. – Ik zelf ben in den schemer weggevloeid. Waartoe hun bleeke deernis buiten u? – Om u te troosten, stil omsluiten ze u. Wat wil hun streelen en hun blinde