En lichte dagen gaan en sluierende nachten, En slaap verheft zijn stem en suit mij zachtjes in, En geeft zoo lieven troost aan droomen en gedachten, Dat ik den nieuwen waak gelijk een kind begin. Mijn handen vragen buit, ik
Tag: gedicht aanwezig
In memoriam
Was dit niet schoon en waren de getijden Niet brandend en zoozeer verblind van licht, Dat wij deemoedige bange handen breidden Voort ’t glanzen van elkanders aangezicht En de oogen toe, stil van elkander eiden, Dat elk dit zalig wonder
Hier heerscht de vrede want hier rust de tijd
vervolg van In Memoriam (557) Hier heerscht de vrede want hier rust de tijd. Het stroomende verloop van de seconden Heeft stil vervloeiend ’t wijde bed gevonden Van aandachts stoorlooze vergetelheid. Zo frisch en jeugdig groen als ’t grastapijt Ontloken
Sonnet: God zij gedankt! als men geen heul meer weet
God zij gedankt! — als men geen heul meer weet, Ontfermt zijn Priester zich verdervenden. Hij staat te midden van de wervenden Om ’t heil, dat ondergang-in-Christus heet. Hij heeft, als ik naar ziel en lichaam leed, Zich zeer bekommerd
Lees meer Sonnet: God zij gedankt! als men geen heul meer weet
Hij voerde mij Gods groote stilte binnen
Hij voerde mij Gods groote stilte binnen, Allenlijk van een teeder licht vervuld, Dat alzijds uitscheen in een mat verguld, Inwendig blozend als ziels eerst beminnen. Hij leerde mij, Zijn zuiver minnen winnen, Door in te treden tot Zijn groot
Kwatrijnen
Gij hebt mij driftig in een hoek gedreven, Wat kan ik anders dan mij overgeven? Martel mij niet, mijn God, ik hang U aan, Tot Gij van troost gesproken hebt en leven. * Mocht ik mij wasschen in Uw koelte,
Salome en de koningin van Saba
Zij zag het heerschen van de stilte groot Temidden van de duizend gouden schilden, Die duizend soldenieren blinkend tilden En lieten vlammen als het morgenrood. Verheven en verschriklijk als de dood, Maar zacht als ’t leven dat haar hart doortrilde,
Claghen I-IX
I En zondig niet meer, zegt Gij, Heer Weet Gij niet, dat wij in zonde bàden, en wachten dat Gij door den stroom zult waden, En brengen ons aan ’t droge, reine strand? Och God, wij wachten slechts op Uwe
Martinitoren
Rondom zijn voet een rosse schijn, Waardoor de regendruppels stoven En zwaar en traag daarboven Het zwart geheim Der stijging in de donkerten verloren Tot waar, een vuren knop, De lichte top Dreef op de hooge duisternis. – Ontzaglijk in
Te vroeg bloeiende perzik
Het voorjaar kwam zóó vroeg Met zon en luwe winden, Dat ik in een verblinde Verrukking bloemen droeg. Ik kon den vasten tijd, Door U besteld, niet wachten. ’t Hunkren van mijn gedachten Werd teedre werklijkheid. O, de eerste morgen,