O vaste wetenschap, dat ginder heil is, Dat ’t tusschen U en mij maar ééne mijl is. Al blijft Uw boot nog verre van mijn roep, ‘k Weet, dat Uw vaartuig naar mij onderzeil is.
Tag: gedicht aanwezig
Wat baat mij nu mijn smachten en verlangen
Wat baat mij nu mijn smachten en verlangen. Gij laat mij rondom door de doornen vangen. Mijn liefde is voor U slechts een wollen vlok, Die bij het dringen aan de heg bleef hangen.
De dertienjarige
Rustig ziet hij ’t groote leven komen, Want zijn jong en argeloos gemoed Voelt de gisting nog niet van het bloed, Als het voorjaar opstuwt in de boomen. Hij geniet de wereld zonder schromen. Elke dag geeft vreugde in overvloed.
De veertienjarige
Dit is een jaar van groot geluk geweest. Zijn oogen, die de wereld zacht bestaarden, Leerden het schoone flikkeren van zwaarden, Wier snelle scherpte men, ook tartend, vreest. Gelouterd werd het aarzelend geluid Dat in zijn stem zoo zoet en
De vijftienjarige
Wijl hij niet achtloos is voorbijgegaan Aan ’t kwaad, als waardlooze onverschilligheden, Maar dapper heeft geleden en gestreden En als een held in ’t harnas heeft gestaan, Bleef hij nog onbedorven van gemoed, Heerscht over de bekoring zijner driften; Durft
Opdracht
Nu ik tot U mijn oogen heb geheven, Vergeet ik wat ter wereld woelt en krielt. Liefde heeft mij verzaligd en vernield. Ik wil alleen naar Uwen vrede streven. Voor U heb ik alle andren prijsgegeven. Daar is geen ding,
Ontwaken
De morgen is ontwaakt met licht geruisch Van bladeren en helle vogelkelen. Slaap week zoo zacht als van hun stille stelen De lampjes van het paardebloemenpluis. Nog dwaalt gerucht van leven door het huis Als losse galmen die zich weer
De blik
Uw ernstige oogen mild op mij gericht, Gaat gij soms zengend aan mijn hart voorbij. En duizelingen wirrelen in mij Tot heel mijn zwakke wezen is ontwricht. Het is of ik uit wit verblindend licht Door gouden schemeringen langzaam glij
Venezia
t Was avond toen wij in een gondel gleden Diep weggezonken in het zwart sameet De lucht leek als een wazig zilverkleed En t water lag vol vage kostbaarheden. Wij luisterden: koel murmelde t beneden, En langs de piazetta zoel
Geluk
Nu zal ik voor altijd gelukkig zijn En zinnend door de luide wereld zwerven. Wat is het leven zoet, en ach, te sterven Van u bemind, heeft nog een lichten schijn. Boven ons brandt de zon den hemel rein En