U heb ik ’t eerst en meest bemind, Al dacht ik dikwijls U te haten. Gij troost mij, nu ik ben verlaten, Voor al mijn dwaze driften blind. Ik heb in wrevel U geweerd. Gij komt in weedom mij omvangen.
Tag: gedicht aanwezig
In het voorjaar I, II
I Nu worden alle harten weder jong En wrang, als ’t late geuren der seringen. Er ligt melancholie in alle dingen, In alles wat men vroolijk floot of zong. De jongens praten ruwer nu zij ’t bloed Driftig door sterke
Herfst
Er is een geur in de wereld gekomen, Die er vroeger niet was. Zieker dan ’t rieken van welke boomen En rottend gras. Alles is van een vreemd bederf Licht aangestoken. In liefste dingen is het versterf Sterkst uitgebroken. Overal
Madonna
Liefde is haar nog niet genaderd. Nog vloeit er geen warm verlangen Door den stroom van haar gebed, En haar sâamgevouwen handen Duiden willige overgave, Maar geen vragen: kom tot mij. Doch Gods liefde is rondom haar. In de ijle
Memlinck
De weeldrigheid van werelds hooggetijden Gleed als een glimlach langs zijn kalm gemoed. Er rees geen oproer in zijn kuische bloed. Hij was gelukkig in devoot verbeiden. Tot Gij verscheent, om nooit van hem te scheiden! ‘Gebenedijde Moeder, wees gegroet!
Pharao
Volkeren hebben zich ontzet gebogen. Ik nam hun vleesch en bloed, hun moeilijk weenen, Om aan mijn naam den donkren glans te leenen Die sloeg uit hun gebroken woedende oogen. Mijn groote dood werd langzaam opgetogen Door hun klein sterven,
De mandolinespeler
Bij den klank der klare mandoline Zingt zijn warme stem den avond uit, De verrukkingen om ongeziene Weelden kwinklen in zijn zoet geluid. Als een zoeklicht, uit zijn fulpen oogen, Schiet hij, fel en vleiend, lonk en straal, Dan, wijd
De auto-rit
Wij hadden door de bosschen rondgereden, Beschut voor ’t valsche schitteren der zon. De motor gromde als hij een hoogte won, En joeg dan lichter tuffend naar beneden. Wij suisden door de zwarte heimlijkheden Van wegen, waar men nauwlijks rijden
Le parfum du Marquis de Carabas
Le parfum du Marquis de Carabas. Zijn lange welverzorgde witte handen, Die lusteloos uit fijne kanten reikten, Met keur van flonkerende ringen prijkten, Voelde hij heet als harsge houten branden. Hij bette ze in een koel glazuren kom, En dacht:
Le parfum: la forêt de Carabas
Er bloeien duizend bloemen in het bosch, Wier geuren tot één zoet parfum verglijden, Waardoor men zich om alles kan verblijden, Zalig den tijd verluierend op ’t mos. De lucht is helderblauw en vogels zingen Bij ’t stuivend kwinkeleeren der