Engelen I

Zóo gezwind kan nooit een vogel vliegen, Als hij stort door alle heemlen heen. Maar hij voelt zijn vallen als een wiegen En de sferen rimpelen alleen. En het is in ’t weerlichtsnel verschijnen Van de dingen, of hij stille

Engelen II

Hij is zachter dan zijn sterke broeder. O zijn oogen lachen zoo bemind Naar Maria, en hij noemt haar Móeder, Zooals vroeger ’t zoete Jezuskind. Heel den dag verdroomt hij aan haar voeten, En het hoog gestemde instrument Van zijn

De boer

Het voorjaar is ontwaakt, en rinsche geuren waaien Den taaien bodem uit, nog grauw en bar en braak, En prikkelen den lust tot ploegen en tot zaaien: De harde noodzaak wordt een vreugdevolle taak. Ik kies de kloeksten van de

Ikaros

Hij vloog … met kalmen slag der breedgewelfde zwingen, Waar, stug en stijf gepend, geen zuchtjen door ontweek. En om hem was de lucht een klinken en een zingen, Terwijl zijn blijde ziel, van heil verslagen, zweeg. Hij voelde langs

Ganymedes

Achter de loome koeien Lag ‘k aan den lauwen grond. De bleeke avondstond Stierf van een groot vermoeien. Diep zonk in mijn koele oogenp mijn Helios’ gouden blik. Mijn hart voelde zoete schrik, Of de heemlen naar mij bewogen. In