Zóo gezwind kan nooit een vogel vliegen, Als hij stort door alle heemlen heen. Maar hij voelt zijn vallen als een wiegen En de sferen rimpelen alleen. En het is in ’t weerlichtsnel verschijnen Van de dingen, of hij stille
Tag: gedicht aanwezig
Engelen II
Hij is zachter dan zijn sterke broeder. O zijn oogen lachen zoo bemind Naar Maria, en hij noemt haar Móeder, Zooals vroeger ’t zoete Jezuskind. Heel den dag verdroomt hij aan haar voeten, En het hoog gestemde instrument Van zijn
De fluitspeler
Hij aarzelt schuchter wat hij spelen zal, En zint, het fluitje half ten mond geheven. Zoete, bewogenheid is in zijn oogen al, En de even open lippen zichtbaar beven. Den morgen heeft hij met een zilvren val Van vlugge tonen
De oude naaister
Zij, die de nauwe kronkelstraat bewonen, Zien dag aan dag haar oud gezicht voor ’t raam. Een lachje komt haar grauw gelaat verschoonen, Roept men, een hartelijken groet, haar naam. Haar naam! O hoeveel oude en jonge monden Hebben hem
De boer
Het voorjaar is ontwaakt, en rinsche geuren waaien Den taaien bodem uit, nog grauw en bar en braak, En prikkelen den lust tot ploegen en tot zaaien: De harde noodzaak wordt een vreugdevolle taak. Ik kies de kloeksten van de
De mijnwerker
Wat uw verstompte en laffe en lustelooze zinnen Weer wekken kan met wrange en prikkelende smaak, Het zuiverende zout, moet ik u smartlijk winnen: Verstooten en onrein vervul ‘k mijn zuivre taak. Gij hoedt het heilig vuur ! gij ziet
Ikaros
Hij vloog … met kalmen slag der breedgewelfde zwingen, Waar, stug en stijf gepend, geen zuchtjen door ontweek. En om hem was de lucht een klinken en een zingen, Terwijl zijn blijde ziel, van heil verslagen, zweeg. Hij voelde langs
Ganymedes
Achter de loome koeien Lag ‘k aan den lauwen grond. De bleeke avondstond Stierf van een groot vermoeien. Diep zonk in mijn koele oogenp mijn Helios’ gouden blik. Mijn hart voelde zoete schrik, Of de heemlen naar mij bewogen. In
Eroos tot de ziel
Wat ontwijkt gij mij verlegen? Ben ik niet met u geboren? Vond ons ’t eerste morgengloren Niet in de eendre wieg gelegen? Was de laafnis onzer moeder Uwe lippen zooveel nader? Was de kracht van onzen vader Niet ons beider
Aanroep
Doe gij met mij naar uwen wil Ik vind geen zweem van weerstand meer, Ik ben in uwen vrede stil En ken u als mijn heer. ’t Donker weerstreven van mijn bloed Ging jaren naar uw goedheid uit. Nu zijt