Hij zoekt U (en ’t is Uw bestieren) Die onverschillig U verliet, Over Uw voetspoor traden vele dieren. Hij vraagt Uw gids, maar die verraadt U niet. Dan komt een nacht, dat Uwe rozen Geuren tot aan zijn legersteê. En
Tag: gedicht aanwezig
Die gelooft zal leven
Die gelooft zal leven, Maar wie heeft geloof? Hoeveel koren is gebleven In een gedorschte schoof? Op den vloer van ’t leven Liggen wij als vuil stroo. God moge ons vergeven…. Maar neemt Hij ons zoo? Misschien blaast de wind
Amas me?
Ik kloeg: o God, die pijn En dat benauwen, en Dat U niet schouwen, en Van al verlaten zijn En zacht was ’t dat Hij zei Gij, die zoo klaagt tot Mij Eentonig als de zee Amas Me? oHeer, wel
Morgenlied
De duiven kirren, en het kraaien Der hanen groet den dageraad. De morgen komt ons bloed doorwaaien, Waardoor ons wezen opengaat. Wat in den slaap was weggegleden, Zoodat de ziel naakt stond voor God, Het komt terug, en onze leden
Avondlied
Het duistert, nog wat goudgeglim Van zon smeult op de lage kim. Och, droeg ons schamel aangezicht Uw weerglans, nimmer dalend Licht. Dan deed het donker ons geen nood, Want, ingehuld in nacht en dood, Lag heel ons leven overspreid
Het is aldoor dezelfde plof
Het is aldoor dezelfde plof. Het dak is stuk, de droppen leken En overstorten zich te breken, En kloppen en versmoren dof. De modder ploempte van de plank En dekt uw schoonheid onverdorven. ’t Geluid is met mij meegezworven En
Maar dit is troost, wat is geweest
Maar dit is troost, wat is geweest, Kan niet vervluchtigen of sterven. Hoe ver wij aan elkaar ontzwerven, Elke afstand overzweeft de geest. Opeens verzwinden ruimte en tijd, Er is geen toekomst en verleden. Wij leven in een eeuwig heden,
God heeft u van mij afgeëischt
God heeft u van mij afgeëist, En nu de tedere avond grijst, Buig ik, niet meer vermetel, Bij uwe lege zetel. Hoe zal ik zeggen, ziek van leed: ‘Hij doe, al schijnt het nog zo wreed, Wat goed is in
Men heeft mij iets heel liefs gegeven
Men heeft mij iets heel liefs gegeven: Een rozentuil van regen zwaar. Wat heb ik tegen hen misdreven? Zoo lag doods dauw over uw haar. Schaduwen dreven in uw oogen. Zij vlamden één hel oogenblik, En hebben zich niet meer
Wilt gij nog hooren dit belijden?
Wilt gij nog hooren dit blijden? De woorden vallen zwaar en stroef. Want dit verhaal is kort en droef: Wij waren zalig met ons beiden. Beminden denken niet aan scheiden, Eer dat het uur van scheiden sloeg, Dat alle ellenden