Morgenlied

De duiven kirren, en het kraaien Der hanen groet den dageraad. De morgen komt ons bloed doorwaaien, Waardoor ons wezen opengaat. Wat in den slaap was weggegleden, Zoodat de ziel naakt stond voor God, Het komt terug, en onze leden

Avondlied

Het duistert, nog wat goudgeglim Van zon smeult op de lage kim. Och, droeg ons schamel aangezicht Uw weerglans, nimmer dalend Licht. Dan deed het donker ons geen nood, Want, ingehuld in nacht en dood, Lag heel ons leven overspreid